Rouwstoet op de Schelde. De kist vooraan,
bovendeks, bloemen in 't kielzog van de boot.
Diepte is hier de bewaarplaats van de dood.
Wij varen langzaam op het eiland aan
dat is verdronken. Heeft het ooit bestaan?
Dan bewijst de misthoorn met een lage stoot
haar de laatste eer. Ik hou me slikkend groot,
zie een schop schuin tegen een meerpaal staan.
Tij dwingt de tijd dat wij haar achterlaten.
Vragen klotsen tegen de huid. De stoet
vaart af. Zolang we haar nog levend praten,
kriebelt eb uit alle gaten. Het was goed,
ik proef zout, ook zoet. Wie heeft wie verlaten?
Ik weet bij God niet hoe het verder moet.
(Dit gedicht werd in november 2011 in opdracht geschreven van de Werkgroep Poezie uit Middelburg. Thema: eilanden, Vorm: sonnet)