mevrouw Mevrouw Marjoleine, Marjoleine de Vos
Kooklust
Het gedicht ‘Kooklust’ van Marjoleine de Vos heb ik op een lange strook behangpapier overgeschreven. Het diende als loper ter verwelkoming van mijn gasten op een etentje dat ik dit jaar gaf ter gelegenheid van mijn vijftigste verjaardag. Het thema van dat etentje was poëzie. De eerste regel van het gedicht luidt:
‘Met gretige borsten staat begeerte aan het aanrecht / zoent het zaad uit tomaten, kijkt naar het zwellen / van beslag onder vochtig doek. (…/)’
Het is een verrukkelijk gedicht. Het komt uit de bundel ‘Zeehond graag’ die in 2000 uitkwam bij Van Oorschot en geschreven werd door Marjoleine de Vos, die twee jaar voor mij vijftig is geworden.
‘(…) Haar hand liefkoost / de haas van een jonge stier, zijn zoekende tong / is gemaakt voor de hare, verzadigd streelt ze / zijn ballen de pan in. Hartstocht / is een keukenprinses met aanraakbare huid, / donzig als deeg, geurig als boter, een weerloze / van bot bevrijde eend die naakt wil zijn / als een olijf in olie, een perzik op sap. / Ze wil zich ontleden op het hakblok, betast worden / door gulzige vingers en gloeiend verslonden. / Een vis zijn, zwemmend in roomsaus / gewiegd, gekend, begeerd, genoten.’
Dit gedicht bruist van levenslust, van erotiek. Botergeil, noemde Piet Gerbrandy dit gedicht. Ik zou zeggen: beschaafd baldadig en daar hou ik net zoveel van als van vis in roomsaus.
Zeehond graag
De bundel ‘Zeehond graag’ is de eerste gepubliceerde bundeling poëzie van Marjoleine de Vos. Drie jaar later verscheen ‘Kat van sneeuw’ en in 2008 ‘Het waait’. De lichte vertellende vorm en de ernstige kwesties die daaronder verborgen liggen, kenmerken al die bundels. Net als mevrouw Despina die in elke bundel optreedt zodat Marjoleine de Vos makkelijker, want afstandelijker, over zichzelf kan schrijven. De naam Despina is een tegenhanger van de griekse Despotos, de vroúw des huizes, gekozen om in beginsel een algemeen begrip te blijven; mevrouw Mevrouw. Deze mevrouw Mevrouw wordt ouder, worstelt met geloofsvragen, leest psalmen en houdt van speelgoedbeesten. Mevrouw Despina wekt sympathie omdat ze niet erg succesvol en gelikt is. In tegenstelling: ze is tobberig en bleu. Ze wil buikdansen maar dat lokt schaamte.
‘(…) / Voor de spiegel dwingt ze haar bekken / beloftes te bluffen op de maat van extase, maar / geen god geeft geheimen door. (…/)’
In het titelgedicht klinkt het verlangen naar de vrolijke lichtheid van het bestaan.
‘Zeehond graag / Het liefst zou mevrouw Despina zeehond zijn. / Springen, poon verschalken, applaus / voor uw lenig spek dat overheerlijk / de kant op kletst, dik verpakt geraamte, / grootogige boksbal vol vis, lekkerbek. / Binnenin zat mevrouw Despina, veilig / in glad vel, waterafstotend vermomd / als onhoekig dier, elegant toegerust voor / poolstorm en schotsen. Lachend heft ze / haar snor boven water, poseert voor verrekijkers, zont op een zandplaat. / Gooit het leven haar juichend de lucht in / stuitert ze op zeewaardige kussens / haar vrolijk vet maakt elke landing zacht.’
Elke landing zacht? Laten we het hopen. Ik voel aan mijn eigen onhoekigheden en wens me ook lachend mijn snor boven water te heffen, door het leven juichend de lucht in te worden gegooid. En ik wens me gedichten te schrijven die net zo persoonlijk en onsentimenteel zijn als de gedichten van Marjoleine de Vos.
In het eerste gedicht van de bundel staat vijfmaal het woord geluk. Dat geluk doet van alles, geniet, dit geluk lijkt wel volmaakt tot de laatste regel. Dan blijkt:
‘Het is getrouwd / heeft tot zijn verdriet geen kinderen maar / het geluk houdt zich groot.’ Dat is een onsentimentele manier om het over een groot verdriet te hebben. Ongewenste kinderloosheid snijdt door je ziel. Al vanaf dat ik heel jong was, leek me dat het ergste wat je kon overkomen. Zelfs het dode kind heeft nog een naam. En, anders dan vroeger, zijn er in onze leefwereld ook veel mensen die zonder kinderen willen leven, terwijl het taboe om er naar te vragen even groot is als vroeger. Daardoor komen meeleven en meelijden vaak niet aan de orde en wordt het verdriet nog groter.
Het thema komt in verschillende andere gedichten terug. Bijvoorbeeld in ‘Geschonden beeld’:
‘(…) / geduldig buig je naar de grond, zoek je / een zoontje maar het is te laat geworden / hoop je nog op zijn lieve kinderlijf. (/…)’, en in ‘Mevrouw Despina houdt van speelgoedbeesten’:
‘(…) zo ook / omarmen verstandige mensen hun leven: / vol verlangen, zonder hoop. (…)’ en Marjoleine de Vos laat Mevrouw Despina haar pluchen knuffels kussen.
In de jaren na de verschijning van ‘Zeehond graag’ is Marjoleine de Vos bekend geworden als iemand die geïnteresseerd is in religie en geloof. Ze werd het middelpunt van een discussie over het ietsisme. Haar collega dichter en vriend Willem Jan Otten bekeerde zich in die zelfde periode tot de Rooms-Katholieke Kerk, protestants Nederland keek naar Marjoleine de Vos. Ik denk dat ze de betere kant van de kerk ontmoette in progressieve kringen en ontdekte dat er in de theologie niet altijd makkelijk over God gesproken wordt. Ik denk ook dat ze zich rot geschrokken is van al die religieuze aandacht. Het is alweer een tijdje stil rondom haar en dit onderwerp. Misschien kwam dat ook omdat ze zelf de stap niet durfde te zetten: : ‘Ik heb een poos gedacht dat ik dat (lid van een kerkgenootschap) op een gegeven moment wel zou worden. Een kwestie van blijven gaan en op een dag laat ik me heus wel dopen. Maar dat gebeurde niet. En nu denk ik: dat ga ik dus ook niet meer doen. Dat is misschien ook niet zo erg.’ Gek, vanwaar die laatste zin?
In haar laatste bundel ‘Het waait’ zijn de geloofsvragen nog steeds aanwezig. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Héloïse’, waarin spirituele liefde samen lijkt te vallen met erotische liefde.
‘(…) tref mij in de hof onder de appelboom. / Er is geen slang te zien, (…)’ "Er zit een dubbelzinnigheid en tegenstelling die ook in mezelf zit: een verlangen naar onthechting én een verlangen naar het zintuiglijke", vertelt ze. "Wat mijn werk typeert is het zoeken naar balans, vervolmaking. De gulden middenweg in de zin van Horatius: niet als saaie middelmatigheid, maar het volmaakte evenwicht."
In ‘Zeehond graag’ al dezelfde religieuze kwesties. In Saul en David, in psalmcitaten of in Meister Eckhardt die er bij mevrouw Despina op aandringt dat zij ‘zichzelf verlaten moet’.
Ik waardeer dat iemand verder wil kijken dan zijn of haar neus lang is en een traditie niet zonder meer als ongekend dus oninteressant aan de kant zet, maar de poëzie wordt er naar mijn smaak niet beter van. Theologisch gesproken denk ik dat dat komt omdat Godskennis niet uit de natuur te halen valt. Natuur en schepping niet hetzelfde zijn. Marjoleine de Vos zoekt in het bestaande, in de natuur. Het siert haar dat ze zich niet inlaat met zo’n natuurlijke god die in feite niets anders is dan het (blinde) lot.
Iets anders is de kleine opening waardoor de eeuwige tijd in een dag, in een moment, in het nu open kan breken. Voor dat geschenk van het hier en nu heeft zij een ontvankelijkheid die prachtige gedichten oplevert. Vol weemoed en dankbaarheid.
Worst smaken
Ik hou, net als Marjoleine de Vos, veel van koken, vandaar ook die etentjes. Ze schrijft een kookrubriek voor de NRC, waaruit ik recepten haal en vooral geniet van haar verhalen over eten en over koken. Sappige verhalen, pikante tips en met een nuchtere Hollandse slag die mij ook bevalt. Zo van: stamppotten kunnen heerlijk zijn, en: als we Hollandse garnalen willen eten dan moeten we ze wel zelf pellen om zeker te weten dat ze vers zijn want de gepelde zijn vaak al dagen lang de wereld over vervoerd, of: als we vlees eten, áls…, dan zijn we ook niet te beroerd onder ogen te zien dat er geslacht moet worden. Een tijd geleden werd, door dezelfde NRC, een actie voor lezers georganiseerd waarbij een van de prijzen was: worst maken met Marjoleine de Vos. Ik heb gehoopt dat te winnen, al moest ik even slikken bij de gedachte aan molens en darmen, want ik denk dat wij het wel zouden kunnen vinden en gesprekstof te over zouden hebben. Over worsten en mannen, kookpunten en kweeperen, gelatine en zo. En ik heb echt zin om mijn tanden te zetten in een zoete nieuwe, krokante bundel van haar.
Dieuwke Parlevliet
Zierikzee, mei 2010
OXANA Dieuwke Parlevliet feb.2010
(uitgeleefd appartement waar ‘illegale’ prostituees wonen)
Oxana, zei ze, luister, gooi nooit een condoom weg voor je nieuwe hebt.
Je kan ze wassen.
De onderkant van zijn eikel, bij dat randje, daar moet je hem pakken.
Dan komt hij zo en ben jij sneller klaar.
Adviezen van Petya.
Rode Petya met haar lange benen.
Zou ze nog leven?
Haar telefoon werkt niet meer.
Misschien pakken ze je telefoon wel af op Schiphol.
Drie dagen geleden deed hij het nog.
Ze zat in de vreemdelingenbewaring.
Als illegaal.
Zou de mutri haar in Sofia weer gepakt hebben?
Die maffiosi kennen de douane goed.
Gisteren dacht ik even dat ik haar zag op de tippelzone.
Dat ze weer terug was.
Die brandplekken doen pijn.
Klootzak.
Hij hield die peuken zo lang tegen mijn been.
Ik haat hem.
Waarom heb ik hem weer gebeld?
Gio.
Jij mag hier niet werken - dat zei die politieman – jij bent illegaal.
We gaan jou terug sturen naar Bulgarije, je land van herkomst.
Dat zei hij.
Ik wil niet terug.
Ik wil hier werken.
Waar is die pincet?
Het lijkt wel of mijn wenkbrauwen steeds sneller groeien.
En hier een haar.
Werken.
Als hoer.
Ja hoor.
Waarom niet?
Ik ben er aan gewend.
Er zijn klanten.
Klanten genoeg.
Dat ik ooit serieus geloofd heb dat ik danseres zou worden.
Met werk in een variététheater of een club.
Dat kan ik me nu niet meer voorstellen.
Ik was weg van Gio.
Ik geloofde hem.
Hij zorgde overal voor.
Papieren, alles.
Petya - een brutale meid met een hele grote bek.
Verkocht voor 10.000 euro, tenminste, dat zei ze.
Door haar broers.
Die zien haar terugkomen….
Dan hebben ze een probleem want dat geld is er niet meer.
Er zal wel een nieuwe auto voor de deur staan.
En gokschulden, ach, het is allemaal hetzelfde daar.
Misschien was zij het, gisteren.
Gelijk heeft ze.
Ik zou daar ook niet blijven.
Je kan hier veel meer verdienen.
En ze zijn ook niet allemaal dronken.
Gio wil me niet meer.
Ik ben te ver gegaan.
Hij wil geen last met de politie.
Straks komt hij weer met die riem en ik kan niet meer.
Ik ga weg.
Waar naartoe?
Die man van de garage op de hoek.
Hij kijkt altijd aardig naar me.
Zal ik naar hem gaan?
Misschien wil hij wel met me trouwen.
Gio heeft mijn paspoort.
Of naar Anna van de huiskamer?
Ach, wat kan zij doen?
Als Gio erachter komt is ze haar leven niet zeker.
En ze heeft dat Chinese kindje.
O, ik praat hardop tegen mezelf.
Dat deed ik vroeger ook onderweg naar school.
De kinderen hier in Nederland blijven maar naar school gaan.
Wat leren ze daar?
Het lijkt wel of ze nooit volwassen worden.
Ik kan naar Antwerpen.
Dat is een ander land zeiden ze.
Daar zetten ze je niet zo snel uit.
De grens kom je zo over.
Waar is die tas?
Eens kijken, een paar vibrators en voorbindlullen neem ik mee.
Kan ik gelijk beginnen.
Waar is mijn telefoon?
Essay eindopdracht tweede leerjaar
Schrijvers Academie Antwerpen 2010
Dieuwke Parlevliet
IK KAN NIET BEGRIJPEN DAT IK DOOD GA
Over je graf regeren
In het kabinet, de kast die mijn stiefmoeder als haar persoonlijke brandkast beschouwde, lagen de instructies klaar voor de begrafenis van haarzelf en die van mijn vader. Ze sprak er vaak over. Er kwam een begrafenisondernemer die ook notitie nam van de wensen. Er kon gekozen worden uit drie soorten kisten. Ze kozen beiden de eikenfineer. Mijn vader deed noodgedwongen mee. Ik denk dat het hem minder interesseerde of het allemaal wel tot in de puntjes geregeld zou zijn. Zelfs de tekst voor de kaart was door haar geredigeerd; mijn vader zou in de annonce voor haar al volwassen kinderen ‘vaderlijke vriend’ heten. Zij voor mijn broers, zusters en mijzelf een ‘liefdevolle tweede moeder’. Terwijl we een spreekwoordelijke stiefmoeder-stiefdochter relatie hadden. In een zwak moment heeft ze mij eens gevraagd of ik toch wel wat aardigs zou willen zeggen als ze dood was. Erg aardig vond ik haar niet maar ik ben zeer beleefd (opgevoed ook door haar) en zei natuurlijk geen nee. Toch was het een klein triomfmoment. ‘O, zo ben jij er aan toe’, dacht ik, ‘ook jij, mens, ook jij.’ Mede reden om geen nee te zeggen. Medemens. Tja.
Ik herinner me dat ze een psalm wilde als noodzakelijke non-breuk met de traditie, die en die dominee, een romantisch pianostuk, het gedicht Wat de toekomst brenge moge van Jacqueline van der Waals, en, ach, bij ons kinderen ging het het ene oor in, het andere uit. Tenslotte lag het draaiboek in het kabinet.
Stof en as
Voor de generatie van mijn ouders in het Nederland van de vorige eeuw waren veel kwesties vanzelfsprekend. Bijvoorbeeld of je begraven zou worden of gecremeerd. Was je lid van een kerk dan werd je begraven en kwam er een priester of dominee aan te pas.
Er waren heel wat mensen die lang nadat ze het geloof waren kwijtgeraakt lid van een kerk bleven omdat het een soort verzekering was. Maar de meesten bleven ‘gewoon’ omdat de kerk het monopolie had op het leven na de dood. Men ging er voetstoots vanuit dat de dood een overgang was naar een ander leven. Niet meer op aarde maar in de hemel. De hemel werd gedefinieerd als de woonplaats van God maar ervaren als de ruimte boven de wolken, hoog in de lucht. Vrome christenen zagen de moeite, die ze zich in hun aardse leven getroost hadden, beloond met een plaatsje in de hemel. In het schema van dit denken hoorde ook een hel als antithese. De hel was de afvaloven. De katholieke traditie kende nog een tussenvorm, het vagevuur: de plek waar loutering kon plaatsvinden voor de definitieve dag des oordeels zou aanbreken.
Het hiernanogmaals
Historisch denken, waarbij de tijd als een lijn gedacht wordt, ligt aan de basis van dit soort opvattingen. Op die lijn bevindt zich een punt waarop je geboren bent (en de punten van het huwelijk - de partnerkeuze, het ouderschap - de procreatie) en een punt waarop je sterft. Je verlaat de lijn van de aardse historie om in een lijn erboven (hemel) of eronder (hel, vagevuur) verder te leven of te rusten. De modernere christen vertelt dat de overledene in de hemel is, terwijl de orthodoxe meldt dat de gestorvene in de aarde rust, wachtend op de laatste dag, de dag des oordeels. In afwachting van de door God beloofde en voorgedane opstanding der doden. Maar altijd in die ene richting: van vroeger naar later. Verderop de lijn ligt het punt waarop de lijnen van of hemel of hel en de natuurlijke historie (dat wat wij de tijd noemen) elkaar raken; de dag des oordeels (van God over de mensen) wanneer de hemel op aarde is gekomen. Het Koninkrijk Gods breekt aan. Ondanks de absurditeit van een ‘hiernanogmaals’ en de ontkenning van een andere mogelijke geschiedenis dan enkel die door mannen en machten gedefinieerde historische werkelijkheid, heeft het ook een prachtige kant. Als gisteren verleden tijd is en morgen de toekomst in een nieuwe andere, veranderde tijd, dan doet het er toe wat je laat of wat je doet. ‘Ik heb een steen verlegd in de rivier…’
Cremeren
Crematie kwam de lage landen binnen langs de weg van andere tradities en religies. Het bekendste is het hindoeïsme. Als je een scheiding denkt tussen lichaam en geest, materie en spiritualiteit, ligt het voor de hand om het lichaam als drager van het aardse bestaan te verbranden. De aandacht kan zich dan scherper richten op de geestelijke wereld waar de naam van de dode geborgen is. De idee over geschiedenis is cyclisch. Alles komt en alles gaat, weer en weer en wederkeer. Niets nieuws onder de zon. Dat maakt mij somber.
Een andere groep mensen geeft – religieloos -de voorkeur aan cremeren. Vaak staan zij zeer kritisch tegenover christelijke kerken. Zij geloven niet in vermeend christelijk ‘leven na de dood’. Associëren de hel niet met de oven in het crematorium zoals veel christenen. Het zijn de dapperen, mensen die de dood in de ogen proberen te kijken als natuurlijk einde van het leven. Zij zijn degenen die het uiteindelijk, begin negentienhonderd, voor elkaar kregen dat er crematoria gebouwd konden worden in Nederland. Een respectabel iets. Toch was ik in een crematorium vaker bedroefd om de leegte van het afscheid dan in de aula van een begraafplaats. Omdat er minder tradities omheen hangen schieten zulke rituelen vaker uit de band, al hoor je ook in kerken de meest verschrikkelijke muziek, want … lievelingsmuziek van de overledene, en worden er dingen gezegd waarmee de tranen wel op een heel gemakkelijke wijze worden getrokken. Er zijn meer ‘foute’ crematies dan begrafenissen. Natuurlijk, de mechanische klik die je hoort bij het aanzetten van de geluidsapparatuur in een verder steriele, tapijtgedekte ruimte, is verschrikkelijk, de rookpluim die je ziet als je weggaat en omkijkt ook, maar het is de leegte die het ergste is. Het gebrek aan een traditie waarin besloten ligt, begrepen of onbegrepen, waarom men het zo doet en niet anders. Je kan op veel manieren afscheid nemen maar je manmoedig stoer houden omdat het nu eenmaal zo is dat de dood het laatste is, geeft wel een kater. ‘Wil er nog iemand iets zeggen?’ - niemand. Dan is deze plechtigheid nu ten einde. Het Air van Bach klinkt. Klik.
Begraven, maar hoe?
Nee, doe mij maar een begrafenis. Mijn ouders liggen in een graf, samen - en daarbovenop mijn stiefmoeder. Mijn eigen geliefden, zij voor wie ik moest beslissen, liggen in een graf. Het zou onlogisch zijn mocht dat voor mij anders zijn. Zou ik dat erg vinden, mocht het anders worden? Nee, dat niet. Ik ben toch teveel mens van deze tijd om te geloven in een leven na de dood. Dat wil zeggen; de term ‘leven na de dood’ problematiseer ik graag, ik ben tenslotte gevormd als theoloog. Zo evident is het niet dat onze waarneming van dood en einde en niets het laatste is wat er over een mens te zeggen zou zijn. Gelukkig niet. De dichters zouden ook hun mond moeten houden. Maar een verlanglijst voor mijn begrafenis, of crematie, heb ik niet. Hoewel… zoals ik mijn eigen doden het liefst als estheet gedenk, ik leg er eer in om hun graf elk jaar te voorzien van een kunstzinnige markering, vind ik het een gruwel te bedenken dat mijn kist – en als we het er toch over hebben: geen fineer! - bedolven zou liggen onder bloemen in plastic. Wel bloemen natuurlijk – ik wil niet vergeten zijn – voor mijn part plastic bloemen die soms echt leuk zijn. Maar niets zieliger dan een boel bloemen waarvan de helft in cellofaan verpakt zit. Vooral de enkele rozen met nog een boel gekleurd en gekruld lint in schreeuwende kleuren en een vette sticker van de bloemist. Dat niet. Mooie teksten wel, en mooi helder weer ook, en zo kan ik toch nog wel even doorgaan. Op gevaar af net zo te worden als de vrouw die op de radio in een reclameboodschap van een uitvaartbedrijf meldde dat ze in een witte koets met paarden ervoor naar het crematorium gereden wenste te worden waar dan een foto van haar zou staan uit haar jonge jaren terwijl een groot symfonieorkest Vivaldi’s herfst speelde. Daarna zou haar as in een raket naar de ruimte gebracht moeten worden. De vrouw sprak met een accent dat deed vermoeden dat haar wensen gebaseerd waren op teveel televisie kijken.
Meer moeten dan kunnen
Het is merkwaardig, ik voel me ervaringsdeskundige maar ik doe niets anders dan proberen mijn angst voor de dood onder de duim te houden. Ik kan niet begrijpen dat ik dood ga. Als ik er al iets over te zeggen heb is dat meer omdat het moet omdat het moest en minder omdat ik het kan of kon. Ik kan als emerituspredikant en ervaringsdeskundige wel wat opmerkingen maken over begrafenissen en in mindere mate over crematies. Bijvoorbeeld dat crematoria te boek staan als draaideursystemen. De tijd wordt strak ingepland en je bent nog niet met de familie naar een volgende ruimte om koffie te drinken of het zaaltje stroomt alweer vol met de volgende klanten. Reserveer maar twee crematies als je de tijd wil hebben voor het afscheid. Ook bij begrafenissen is het zaak de regie niet uit handen te geven. Ik zal nooit de tip vergeten: dat je moet zorgen dat je als dominee altijd het laatste woord hebt. Anders heb je alles gezegd wat gezegd moet worden, de prachtige woorden en de naam van de overledene zweven nog over de begraafplaats als de uitvaartleider dat doorbreekt met zakelijke mededelingen. ‘U kunt de familie straks in de aula condoleren…’ Beter is het om hem of haar eerst zijn of haar zegje te laten doen en ten leste zelf als dominee het woord te laten klinken.
En noem de naam van de dode voluit en meerdere malen. Naamloos worden wij geboren, onze naam krijgen we en daarmee gaan of kunnen we deel van het humanum uitmaken. Tot aanschijn worden we geroepen. Mens zijn we pas samen met anderen die onze naam noemen. Hoe wij herinnerd zullen worden? Allereerst met onze naam. Pas als niemand onze naam nog kent, zullen wij vergeten zijn en hartstikke dood. De uitvaartleider zal geneigd zijn over mevrouw X en meneer Y te spreken. Dat is ook juist dat een uitvaartleider dat doet, maar iemand moet meer dan de aanspreektitel en de achternaam durven zeggen. Of meer dan alleen een aspect van het leven. Zo zijn er graven waarop staat: hier rust (onze lieve, zorgzame, enzovoorts) moeder. Hoe moeder heette is vergaan.
Ik vind het altijd raar als de overledene in de kist aangesproken wordt alsof hij of zij nog leeft. Ik denk dat mensen dat doen omdat ze er nog niet aanwillen dat de dode niet meer leeft. Daar kan ik wel inkomen, realiteitsnegatie kan een voorwaarde zijn om verder te leven, maar dat iemand zich dan in het openbaar met zo’n gebaar tot de overledene richt is gênant. Er zijn uitzonderingen, mensen die er van overtuigd zijn dat de dode er nog is, dat de dood een doorgang betekent van dit leven naar een ander leven. Zelfs in dat geval zou ik me toch nooit tot de kist wenden. In een kist ligt een lijk.
Op de begraafplaats komt ook zo’n moment waarop het erg mis kan gaan. Namelijk als de kist de aarde inzakt. Het is een definitief gebaar, een beeld waar veel mensen bang voor zijn. Daarom vragen ze vaak of ze, voor dat moment daar is, weg kunnen gaan. Het gevolg is een rem op wat men het rouwverwerkingsproces noemt. (Vlees verwerk je, rouw draag je, zei een vriend. In het Duits spreekt men over ‘trauerarbeit’.) Stimuleer het laten staan van een kist boven de grond niet. In handen van vreemden die het werk moeten afmaken is het ten eerste een ontkenning van de werkelijkheid, een dood lichaam mag niet in een kist boven de grond blijven staan, maar ook gevoelsmatig een slechte optie. Wie liefdevol heeft gezorgd voor een ander houdt daar niet plots, een meter van het graf, mee op. De begrafenis is achter de rug en daar blijft je dierbare in de kist boven de grond staan.
Op de begraafplaats
Je geliefde komt onder een steen of met een tuintje boven zich en een staande steen met daarop al zijn namen. Gebeurt dat op een traditionele gemeentelijke begraafplaats dan is er een nieuw gedeelte waar de doden op rij, bepaald door de datum van begraven, een historisch patroon vormen. Ook hier is het historisme bepalend - maar ook wel makkelijk… Zou er iemand komen? Neemt die bloemen mee? Vast wel. De zorg die er voor hem was, spiegelt zich in zijn graf. Kleine rites om niet te vergeten, om beter te herinneren.
Een troosteloze regenachtige dag begin november. Er is een fabriekshorizon. Het is Allerzielen en op de krantenfoto zie ik een kleine oude vrouw met een plastic regenkapje op. Zij legt witgele knollen van bloemen op een grijze grafzerk. Een plastic tasje schuift tot bij haar elleboog terwijl ze naar boven reikt. In het straatje van de begraafplaats zijn de tombes, heuphoog bij de vrouw okselhoog, tegen elkaar aan gebouwd. De namen van de begraven mensen zijn aan de voorkant te lezen. Dat wil zeggen; sommigen wel anderen zijn vergaan of vervuild. De naam van degene voor wie de vrouw bloemen brengt kan ik niet zien. Wiens herinnering houdt zij levend samen met die van haarzelf?
Je hebt ook van die verhalen. Een van de meest emotionerende verhalen die ik ooit hoorde over een begraafplaats speelde zich af in het voormalige Joegoslavië. Er was op een kleine begraafplaatsje een graf met een Duitse naam. Gestorven in de Tweede Wereldoorlog. Het graf was goed verzorgd en er lagen verse bloemen bij. Navraag leverde het volgende op: een Duits officier had bevel gegeven een groepje partizanen neer te schieten. Hij had daarvoor de jongste knul uitgekozen. De jongen wilde niet. ‘Als je het niet doet kan je er zelf bij gaan staan’, had de officier gezegd. Het dorp zorgde nu al jaren voor zijn graf.
Rituelen als verzet
Rituelen zijn goed om crisiservaringen wat te stroomlijnen zodat je er niet door overvallen wordt als door een grote golf. Zo’n golf zorgt dat je je evenwicht verliest, in paniek raakt en zij kan je zelfs doen stikken voordat ze je weer uitspuugt. Rondom de dood hebben we rituelen nodig om te kunnen blijven herinneren. De mens is een opgejaagde consument geworden die zijn aandacht en oplettendheid is kwijtgeraakt aan snelheid en gejaagdheid. Daar rituelen per definitie vertragen, zijn ze een geschikt tegenwicht. Misschien wel noodzakelijk. In ieder geval een vorm van verzet tegen het verlies aan herinnering.
‘De dood confronteert ons met herinneringsproblemen par excellence: de dood betekent radicale afwezigheid en vormt dus de scherpste bedreiging voor de herinnering. Wanneer iemand sterft, onttrekt hij of zij zich radicaal aan onze oplettendheid. Wanneer een kind sterft doet dit oplettendheidsverlies op een bijzondere manier pijn want kinderen vragen tijdens hun bestaan om permanente oplettendheid. Ouders zijn geoefende opletters (of behoren dat in ieder geval te zijn) en de dood van een kind doorkruist deze oplettendheid, maakt oplettendheid op een brutale manier onmogelijkheid.’ [i]
Het is fijn als de overledene zelf heeft aangegeven hoe hij of zij herinnerd zou willen worden. Tenslotte is dat één kant van de medaille. Dat de nabestaanden ook iets met hun herinneringen kunnen doen is de andere kant. In het geval van mijn stiefmoeder bijvoorbeeld werd daar niet zoveel ruimte voor gelaten.
Meestal is het anders en zoekt de familie in de dagen voor de begrafenis wanhopig naar gedichtenbundels, bijbels en liedboeken. Zodra er een papiertje tussen gevonden wordt, is dat aanleiding om een bepaald lied of gedicht tot de lieveling van ma te bestempelen. De herinnering wordt niet altijd juist gevoed.
Herinneringen zijn verzetsdaden. Ook de kleine rituelen als een huisaltaartje, een gedenkdoos, het klaarmaken van vaders lievelingsgerecht op zijn verjaardag zijn een vorm van gedenken, herinneren. De kleinste zelfs: het dragen van een geërfde ring, het kijken naar een foto. Dat stilstaan is hoogst noodzakelijk in een tijd van doorhollen en alles vergeten. Sterker nog, ik denk dat we doorhollen om alles te vergeten.
Rituelen als projectie
Maar hebben we nu rondom de dood ook rituelen nodig als projectie? Van alle niet-kerkelijken schijnt een meerderheid in een leven na de dood te geloven. Er gaan ballonnen de lucht in op uitvaarten die waarachtig niets te maken lijken te hebben met een beleden ‘leven na de dood’. Ik noemde al eerder de realiteitsnegatie, een mooi woord in dit verband. De realiteit, lees: de materiële en historische werkelijkheid, wordt ontkend. Pappa is niet dood. ‘Pappa , ik hou zoveel van je’ - terwijl pappa in zijn kist ligt. Maar ook op het religieuze terrein wordt deze realiteitsnegatie gebruikt. Zo beweert Jean-Pierre Wils, hoogleraar te Nijmegen, dat rituelen als projectie minstens zo belangrijk zijn als rituelen ter herinnering.[ii] Wij weten dat het niet waar is maar je weet toch maar nooit. Hij gebruikt als voorbeelden de beelden uit de gedichten waarin het kleine dode kind vleugeltjes toegewenst wordt. [iii]
Ik vermoed dat bij hem het gebied van de kunst de nieuwe religievervanger is. Zoals dat voor veel intellectuelen geldt. Ik ben zelf beducht om een theoloog van de schoonheid te worden genoemd want ik voel de aantrekkelijkheid. Voor mij is de esthetiek als vorm van schoonheid niet voor niets zo belangrijk. Mijn theologenhart waarschuwt: via de kunst komen wij niet tot God, hooguit tot een religieuze projectie. Ik begrijp wel dat de kunst betekenissen bewaart waarvan de waarheid nog kan blijken. Misschien heeft ze wel vleugeltjes. Misschien.
Ook het onvervulde verlost
Het is mij niet genoeg. Rituelen als herinnering, prima. Maar rituelen als projectie – die misschien waar is? Dat lijkt me een te risicovolle operatie. Je hebt er wellicht een goed gevoel bij, even. Goede gevoelens vervluchtigen al snel. Het blijkt valse troost. Troostrijker is mij de gedachte uit het jodendom dat wij in de dood allemaal drieëndertig zijn. In die gedachte is ook het onvervulde verlost. Een angstig mens dat smeekt om een aardig woord, gaat zelf aardige dingen zeggen. De wraak wordt afgezworen. Verlossing dus. Dat is denk ik het enige waar we op kunnen hopen of naar vooruitwijzen. Bijvoorbeeld door zo’n beeld als de vleugeltjes aan te horen. Of een verhaal van een Duitse soldatenjongen die opstaat uit zijn graf.
Dieuwke Parlevliet
Zierikzee, juni 2010
[i] Jean-Pierre Wils, ‘rituelen van de dood. Een verkenning.’, lezing tijdens de
Faculteitsdag Theologie en Religiewetenschappen Veranderende rituelen rondom de dood Woensdag 25 maart 2009, Aula Radboud Universiteit Nijmegen Soeterbeeck Programma i.s.m. de Faculteiten Theologie en Religiewetenschappen.
Hij verwijst naar: Bernhard Stiegler, ‘De logica van de zorg. Over het verlies van de Verlichting door media en techniek'
[ii] idem
[iii] Gedichten:
Op de doot van myn dochtertje// Jakoba tradt met tegenzin /Ter snode werelt in;/ En heeft zich aen het endt geschreit,/ In haere onnozelheit./ Zy was hier naeue verscheenen,/ Of ging, wel graeg,/ weêr heenen.//
De moeder kuste ’t lieve wicht/ Voor ’t levenloos gezigt,/ En riep het zieltje nogh te rug:/ Maer dat, te snel en vlug,/ Was nu al opgevaren/ By Godts verheugde schaeren./
Daer lacht en speelt het nu zoo schoon,/ Rontom den hoogsten troon;/ En spreit de wiekjes luchtigh uit,/ Door wee noch smart gestuit./ O bloem van dertien dagen,/ Uw heil verbiedt ons ’t klagen.
Hubert Korneliszoon Poot, 1689-1733
Kindje kleene kindje dood / mag ik u iets vragen/ mijn ogen zijn van ’t schreien rood/ en mijn stemme rauw van ’t klagen//
duizel je nog als je rechte staat/ kan je nu lopen zonder vallen/ ja ‘k hè vleugels van zilverdraad/ van pluimkes en sneeuwkristallen//
ben je beschut tegen de nacht/ is uw kleedje wel warm geweven/ ja van ’t zuiverste zijdeke zacht/ en van maneschijn ben ik omgeven//
waar moe j’ gie rusten op uw verre reis/ waar vind je gie eten en drinken/ ik drinke den dauw van ’t groen paradijs/ ‘k hè wolken om in weg te zinken//
Kindje kleene kindje dood/ wie moet er voor u zorgen/ den hemel is te wijd en de wereld te groot/ ‘k houd u diep in mijn herte geborgen
Willem Vermandere