Bij de opening van de Calvijnkapel, Middelburg 14 april 2009
Rinse Reeling Brouwer
1. Pluraliteit en waarheid
Bij heiligenkapellen denk ik vooral aan de middeleeuwse laatgotiek. Elk gilde, elk maatschappelijk verband heeft een ‘eigen’ heilige, een specifieke vormgeving van het religieuze. Religie drukt zo veellagigheid uit. Dit keert in onze tijd terug: zelf pakketjes samenstellen naar behoeven. Een denker als Odo Marquard stelt niet zonder reden terugkeer naar polytheïsme voor (door Nietzsche voorvoeld).
De naam Calvijn staat haaks daarop, en dat maakt de naam ‘Calvijn-kapel’ zo spanningsvol. Calvijn verwijst naar een midden, alsof dat er zou zijn. De éne Naam temidden van de velen die als goden aanbeden worden. De ene waarheid temidden van een oneindige veelheid aan opinies en expressies, die er niet uit opkomt maar er juist in inbreekt. Irritant, onrust scheppend, niet zo maar af te doen.
2. Rooms en gereformeerd
Deze tegenstelling valt niet samen met de in het vorige punt genoemde: protestantisme gaat prat op zijn pluriformiteit, paus neemt het op voor de waarheid (tja, in welke zin?).
Verbazend: de Calvinus oecumenicus, met zijn uiterste poging, lutheranen en zwinglianen te verenigen, ook nog openheid jegens dopersen, is tegenover de kerk van Rome onverbiddelijk.
Hij had ook anders gekund, want had vrienden die anders kozen.
Gérard Roussel (Epistolae duae 1537, CSA I.2, 267): grote voorvechter Frans Reformkatholicisme, onder beschermvrouw Margarethe, toch 1536 bisschop geworden
Louis du Tillet: medevoortvluchtige, gastheer in Angoulême, twijfelt door Geneefse perikelen toch aan Calvijns roeping (dramatische brieven 1538, nu in nieuwe CO-uitgave VU)
Pierre Caroli: cameleon, maar vermoedelijk voorstander meer ‘hoogkerkelijke’ vorm van reformatie: C. werd doordzenuwachtig van hem
Bij alle drie een wederzijdse vraag: kies je niet toch voor carrière, negeer je roep niet die uitgaat, durf je consequenties wel aan? Vs. Ben je zelf dan iets anders dan bisschop geworden, hoe fundeer je dan je munus extraordinarium, is jouw liturgiehervorming dan niet vastgelopen, zoals je nazaten ervaren?
3. Herdenkingsplaats gestorvenen en/of messiaanse voorspraak
In kapel speciale attentie voor dierbare overledene(n), onder patronaat van een speciale heilige. Komt voort uit besef van kwetsbaarheid en falen, en van noodzaak tot vergeving. Laatste woord over een mensenleven niet gezegd. Vermoeden van loutering, en van bijdrage daaraan door offerande en gebeden van wie nog op aarde zijn (Kat. RKK 1032).
Reformatorische verdenking: exploitatie van onzekerheid, waar kerkelijke macht wel bij vaart. Inspelen op kwetsbaarheid om positie priestermacht te bevestigen en er simpelweg ook aan te verdienen.
Tegenpositie: gestorvenen, geborgen in Gods eeuwige raad van liefde en vrede, zíjn reeds opgenomen in eeuwige rust dankzij de Messiaanse voorspraak van die ene, die onze hogepriester is. Vraag daarbij echter kan weer luiden, of dat tussenbeide-komen, in de bres springen, dat zich concentreert in het verhaal van die ene, dan geen wijdere cirkels trekt, inclusief van karakter is. Het voor elkaar opkomen als bestaanswijze toch niet af te schuiven, doch uitnodigend? Ook hier dus wederzijdse vraag.
4. Kaarsen, ter zake en/of adiaphora?
Kaarsen bevorderen concentratie, betrokkenheid op (de gestorvenen, hen die voorspraak verdienen, hen van wie voorspraak mag worden verwacht). Slot verhaal Dieuwke: ‘de kaars was langer geworden’. Onmogelijke mogelijkheid, zoals dat in een verhaal hoort. Gregorios van Nyssa over ‘synkatabasis’: walm van kaars gaat opwaarts, zoals onze gebeden en onze offeranden, maar de hemel is ons vóór, daalt neer in priesterlijke tussenkomst – dit doet dus misbruik klerikale macht op voorhand te laat komen. Kaars als verwijzing naar dit wonder: zou Calvijn zich daardoor laten overtuigen?
Anderzijds: leer van de vrijheid in de ‘adiophora’, stoïsch begrip. Wat niet bepalend is, moet ook niet tot bepalend gemaakt worden. Strijd in de religie gaat dikwijls over zaken die juist van hun explosief karakter moeten worden ontdaan. Over de vraag welke zaken dat zijn, denken wij wellicht wat anders dan de reformator. Maar dat zoiets als de vraag naar kaarsen hiertoe behoort, lijkt me heel wel verdedigbaar.
5. Een grafsteen voor Calvijn: niet of toch wel?
Geen sarcofaag in deze kapel. Calvijn wilde krachtens zijn testament geen grafsteen. Vandaar ‘wordt zijn graf niet gekend tot op deze dag’ (Dt. 34:6, Handzame C, 300). Niettemin stilering van nalatenschap, deed er – met classicistische stilering – moeite voor zijn geschriften en instituties vast te laten houden (‘changer rien, ne innover’: heeft wel een beetje erg lang geduurd, in sommige opzichten…). Dat is ook de strekking van het slot van de thora: geen pelgrimsoord als plaats van strijd rond het ‘lichaam van Mozes’, maar wel het levende Woord (de mondelinge thora) die doorgaat en steeds weer actualiseert. Ook Calvijn dus niet opsluiten in zijn eigen context, zoals in een dergelijk herdenkingsjaar al snel gebeurt. Waar hij door zijn geschriften, en als uitlegger van de heilige Schrift spreekt, kan dat dus nooit door specifieke traditie geclaimd worden.
6. Psalmen, gemeentelied en individuele strijd
Altijd present in de getijden van de kloosters. Vertaald en als strofisch lied aan gemeente teruggegeven. Geneefs psalter staat niet los van synagogale en gregoriaanse liturgische tradities. Gemeente leert (kinderen voorop), maar toe-eigening gebeurt individueel. Herkenning in vervolgde, aangevochten (ps. 91), schuldige (Ps. 51), koninklijke (Ps. 72) David (Wilhelmus strofe 8, mel. Ps. 130: bijna-identificatie). ‘Verborgen omgang’ van Ps. 25:7 veronderstelt ook verlatenheid en Godsvervreemding.