gedachtenisdozen

2008

Essay eindopdracht tweede leerjaar

Schrijvers Academie Antwerpen 2010

Dieuwke Parlevliet

 

 

IK KAN NIET BEGRIJPEN DAT IK DOOD GA

 

 

Over je graf regeren

In het kabinet, de kast die mijn stiefmoeder als haar persoonlijke brandkast beschouwde, lagen de instructies klaar voor de begrafenis van haarzelf en die van mijn vader. Ze sprak er vaak over. Er kwam een begrafenisondernemer die ook notitie nam van de wensen. Er kon gekozen worden uit drie soorten kisten. Ze kozen beiden de eikenfineer. Mijn vader deed noodgedwongen mee. Ik denk dat het hem minder interesseerde of het allemaal wel tot in de puntjes geregeld zou zijn. Zelfs de tekst voor de kaart was door haar geredigeerd; mijn vader zou in de annonce voor haar al volwassen kinderen ‘vaderlijke vriend’ heten. Zij voor mijn broers, zusters en mijzelf een ‘liefdevolle tweede moeder’. Terwijl we een spreekwoordelijke stiefmoeder-stiefdochter relatie hadden. In een zwak moment heeft ze mij eens gevraagd of ik toch wel wat aardigs zou willen zeggen als ze dood was. Erg aardig vond ik haar niet maar ik ben zeer beleefd (opgevoed ook door haar) en zei natuurlijk geen nee. Toch was het een klein triomfmoment. ‘O, zo ben jij er aan toe’, dacht ik, ‘ook jij, mens, ook jij.’ Mede reden om geen nee te zeggen. Medemens. Tja.

Ik herinner me dat ze een psalm wilde als noodzakelijke non-breuk met de traditie, die en die dominee, een romantisch pianostuk, het gedicht Wat de toekomst brenge moge van Jacqueline van der Waals, en, ach, bij ons kinderen ging het het ene oor in, het andere uit. Tenslotte lag het draaiboek in het kabinet.

 

Stof en as

Voor de generatie van mijn ouders in het Nederland van de vorige eeuw waren veel kwesties vanzelfsprekend. Bijvoorbeeld of je begraven zou worden of gecremeerd. Was je lid van een kerk dan werd je begraven en kwam er een priester of dominee aan te pas.

Er waren heel wat mensen die lang nadat ze het geloof waren kwijtgeraakt lid van een kerk bleven omdat het een soort verzekering was. Maar de meesten bleven ‘gewoon’ omdat de kerk het monopolie had op het leven na de dood. Men ging er voetstoots vanuit dat de dood een overgang was naar een ander leven. Niet meer op aarde maar in de hemel. De hemel werd gedefinieerd als de woonplaats van God maar ervaren als de ruimte boven de wolken, hoog in de lucht. Vrome christenen zagen de moeite, die ze zich in hun aardse leven getroost hadden, beloond met een plaatsje in de hemel. In het schema van dit denken hoorde ook een hel als antithese. De hel was de afvaloven. De katholieke traditie kende nog een tussenvorm, het vagevuur: de plek waar loutering kon plaatsvinden voor de definitieve dag des oordeels zou aanbreken.

 

Het hiernanogmaals

Historisch denken, waarbij de tijd als een lijn gedacht wordt, ligt aan de basis van dit soort opvattingen. Op die lijn bevindt zich een punt waarop je geboren bent (en de punten van het huwelijk - de partnerkeuze, het ouderschap - de procreatie) en een punt waarop je sterft. Je verlaat de lijn van de aardse historie om in een lijn erboven (hemel) of eronder (hel, vagevuur) verder te leven of te rusten. De modernere christen vertelt dat de overledene in de hemel is, terwijl de orthodoxe meldt dat de gestorvene in de aarde rust, wachtend op de laatste dag, de dag des oordeels. In afwachting van de door God beloofde en voorgedane opstanding der doden. Maar altijd in die ene richting: van vroeger naar later. Verderop de lijn ligt het punt waarop de lijnen van of hemel of hel en de natuurlijke historie (dat wat wij de tijd noemen) elkaar raken; de dag des oordeels (van God over de mensen) wanneer de hemel op aarde is gekomen. Het Koninkrijk Gods breekt aan. Ondanks de absurditeit van een ‘hiernanogmaals’ en de ontkenning van een andere mogelijke geschiedenis dan enkel die door mannen en machten gedefinieerde historische werkelijkheid, heeft het ook een prachtige kant. Als gisteren verleden tijd is en morgen de toekomst in een nieuwe andere, veranderde tijd, dan doet het er toe wat je laat of wat je doet. ‘Ik heb een steen verlegd in de rivier…’  

 

 

Cremeren

Crematie kwam de lage landen binnen langs de weg van andere tradities en religies. Het bekendste is het hindoeïsme. Als je een scheiding denkt tussen lichaam en geest, materie en spiritualiteit, ligt het voor de hand om het lichaam als drager van het aardse bestaan te verbranden. De aandacht kan zich dan scherper richten op de geestelijke wereld waar de naam van de dode geborgen is. De idee over geschiedenis is cyclisch. Alles komt en alles gaat, weer en weer en wederkeer. Niets nieuws onder de zon. Dat maakt mij somber.

Een andere groep mensen geeft – religieloos -de voorkeur aan cremeren. Vaak staan zij zeer kritisch tegenover christelijke kerken. Zij geloven niet in vermeend christelijk ‘leven na de dood’. Associëren de hel niet met de oven in het crematorium zoals veel christenen. Het zijn de dapperen, mensen die de dood in de ogen proberen te kijken als natuurlijk einde van het leven. Zij zijn degenen die het uiteindelijk, begin negentienhonderd, voor elkaar kregen dat er crematoria gebouwd konden worden in Nederland. Een respectabel iets. Toch was ik in een crematorium vaker bedroefd om de leegte van het afscheid dan in de aula van een begraafplaats. Omdat er minder tradities omheen hangen schieten zulke rituelen vaker uit de band, al hoor je ook in kerken de meest verschrikkelijke muziek, want … lievelingsmuziek van de overledene, en worden er dingen gezegd waarmee de tranen wel op een heel gemakkelijke wijze worden getrokken. Er zijn meer ‘foute’ crematies dan begrafenissen. Natuurlijk, de mechanische klik die je hoort bij het aanzetten van de geluidsapparatuur in een verder steriele, tapijtgedekte ruimte, is verschrikkelijk, de rookpluim die je ziet als je weggaat en omkijkt ook, maar het is de leegte die het ergste is. Het gebrek aan een traditie waarin besloten ligt, begrepen of onbegrepen, waarom men het zo doet en niet anders. Je kan op veel manieren afscheid nemen maar je manmoedig stoer houden omdat het nu eenmaal zo is dat de dood het laatste is, geeft wel een kater. ‘Wil er nog iemand iets zeggen?’ - niemand. Dan is deze plechtigheid nu ten einde. Het Air van Bach klinkt. Klik.

 

Begraven, maar hoe?

Nee, doe mij maar een begrafenis. Mijn ouders liggen in een graf, samen - en daarbovenop mijn stiefmoeder. Mijn eigen geliefden, zij voor wie ik moest beslissen, liggen in een graf. Het zou onlogisch zijn mocht dat voor mij anders zijn. Zou ik dat erg vinden, mocht het anders worden? Nee, dat niet. Ik ben toch teveel mens van deze tijd om te geloven in een leven na de dood. Dat wil zeggen; de term ‘leven na de dood’ problematiseer ik graag, ik ben tenslotte gevormd als theoloog. Zo evident is het niet dat onze waarneming van dood en einde en niets het laatste is wat er over een mens te zeggen zou zijn. Gelukkig niet. De dichters zouden ook hun mond moeten houden. Maar een verlanglijst voor mijn begrafenis, of crematie, heb ik niet. Hoewel… zoals ik mijn eigen doden het liefst als estheet gedenk, ik leg er eer in om hun graf elk jaar te voorzien van een kunstzinnige markering, vind ik het een gruwel te bedenken dat mijn kist – en als we het er toch over hebben: geen fineer! -  bedolven zou liggen onder bloemen in plastic. Wel bloemen natuurlijk – ik wil niet vergeten zijn – voor mijn part plastic bloemen die soms echt leuk zijn. Maar niets zieliger dan een boel bloemen waarvan de helft in cellofaan verpakt zit. Vooral de enkele rozen met nog een boel gekleurd en gekruld lint in schreeuwende kleuren en een vette sticker van de bloemist. Dat niet. Mooie teksten wel, en mooi helder weer ook, en zo kan ik toch nog wel even doorgaan. Op gevaar af net zo te worden als de vrouw die op de radio in een reclameboodschap van een uitvaartbedrijf meldde dat ze in een witte koets met paarden ervoor naar het crematorium gereden wenste te worden waar dan een foto van haar zou staan uit haar jonge jaren terwijl een groot symfonieorkest Vivaldi’s herfst speelde. Daarna zou haar as in een raket naar de ruimte gebracht moeten worden. De vrouw sprak met een accent dat deed vermoeden dat haar wensen gebaseerd waren op teveel televisie kijken.

 

Meer moeten dan kunnen

Het is merkwaardig, ik voel me ervaringsdeskundige maar ik doe niets anders dan proberen mijn angst voor de dood onder de duim te houden. Ik kan niet begrijpen dat ik dood ga. Als ik er al iets over te zeggen heb is dat meer omdat het moet omdat het moest en minder omdat ik het kan of kon. Ik kan als emerituspredikant en ervaringsdeskundige wel wat opmerkingen maken over begrafenissen en in mindere mate over crematies. Bijvoorbeeld dat crematoria te boek staan als draaideursystemen. De tijd wordt strak ingepland en je bent nog niet met de familie naar een volgende ruimte om koffie te drinken of het zaaltje stroomt alweer vol met de volgende klanten. Reserveer maar twee crematies als je de tijd wil hebben voor het afscheid. Ook bij begrafenissen is het zaak de regie niet uit handen te geven. Ik zal nooit de tip vergeten: dat je moet zorgen dat je als dominee altijd het laatste woord hebt. Anders heb je alles gezegd wat gezegd moet worden, de prachtige woorden en de naam van de overledene zweven nog over de begraafplaats als de uitvaartleider dat doorbreekt met zakelijke mededelingen. ‘U kunt de familie straks in de aula condoleren…’ Beter is het om hem of haar eerst zijn of haar zegje te laten doen en ten leste zelf als dominee het woord te laten klinken.

En noem de naam van de dode voluit en meerdere malen. Naamloos worden wij geboren, onze naam krijgen we en daarmee gaan of kunnen we deel van het humanum uitmaken. Tot aanschijn worden we geroepen. Mens zijn we pas samen met anderen die onze naam noemen. Hoe wij herinnerd zullen worden? Allereerst met onze naam. Pas als niemand onze naam nog kent, zullen wij vergeten zijn en hartstikke dood. De uitvaartleider zal geneigd zijn over mevrouw X en meneer Y te spreken. Dat is ook juist dat een uitvaartleider dat doet, maar iemand moet meer dan de aanspreektitel en de achternaam durven zeggen. Of meer dan alleen een aspect van het leven. Zo zijn er graven waarop staat: hier rust (onze lieve, zorgzame, enzovoorts) moeder. Hoe moeder heette is vergaan. 

Ik vind het altijd raar als de overledene in de kist aangesproken wordt alsof hij of zij nog leeft. Ik denk dat mensen dat doen omdat ze er nog niet aanwillen dat de dode niet meer leeft. Daar kan ik wel inkomen, realiteitsnegatie kan een voorwaarde zijn om verder te leven, maar dat iemand zich dan in het openbaar met zo’n gebaar tot de overledene richt is gênant. Er zijn uitzonderingen, mensen die er van overtuigd zijn dat de dode er nog is, dat de dood een doorgang betekent van dit leven naar een ander leven. Zelfs in dat geval zou ik me toch nooit tot de kist wenden. In een kist ligt een lijk.

Op de begraafplaats komt ook zo’n moment waarop het erg mis kan gaan. Namelijk als de kist de aarde inzakt. Het is een definitief gebaar, een beeld waar veel mensen bang voor zijn. Daarom vragen ze vaak of ze, voor dat moment daar is, weg kunnen gaan. Het gevolg is een rem op wat men het rouwverwerkingsproces noemt. (Vlees verwerk je, rouw draag je, zei een vriend. In het Duits spreekt men over ‘trauerarbeit’.) Stimuleer het laten staan van een kist boven de grond niet. In handen van vreemden die het werk moeten afmaken is het ten eerste een ontkenning van de werkelijkheid, een dood lichaam mag niet in een kist boven de grond blijven staan, maar ook gevoelsmatig een slechte optie. Wie liefdevol heeft gezorgd voor een ander houdt daar niet plots, een meter van het graf, mee op. De begrafenis is achter de rug en daar blijft je dierbare in de kist boven de grond staan.

 

Op de begraafplaats

Je geliefde komt onder een steen of met een tuintje boven zich en een staande steen met daarop al zijn namen. Gebeurt dat op een traditionele gemeentelijke begraafplaats dan is er een nieuw gedeelte waar de doden op rij, bepaald door de datum van begraven, een historisch patroon vormen. Ook hier is het historisme bepalend - maar ook wel makkelijk… Zou er iemand komen? Neemt die bloemen mee? Vast wel. De zorg die er voor hem was, spiegelt zich in zijn graf. Kleine rites om niet te vergeten, om beter te herinneren.

 

Een troosteloze regenachtige dag begin november. Er is een fabriekshorizon. Het is Allerzielen en op de krantenfoto zie ik een kleine oude vrouw met een plastic regenkapje op. Zij legt witgele knollen van bloemen op een grijze grafzerk. Een plastic tasje schuift tot bij haar elleboog terwijl ze naar boven reikt. In het straatje van de begraafplaats zijn de tombes, heuphoog bij de vrouw okselhoog, tegen elkaar aan gebouwd. De namen van de begraven mensen zijn aan de voorkant te lezen. Dat wil zeggen; sommigen wel anderen zijn vergaan of vervuild. De naam van degene voor wie de vrouw bloemen brengt kan ik niet zien. Wiens herinnering houdt zij levend samen met die van haarzelf?

 

Je hebt ook van die verhalen. Een van de meest emotionerende verhalen die ik ooit hoorde over een begraafplaats speelde zich af in het voormalige Joegoslavië. Er was op een kleine begraafplaatsje een graf met een Duitse naam. Gestorven in de Tweede Wereldoorlog. Het graf was goed verzorgd en er lagen verse bloemen bij. Navraag leverde het volgende op: een Duits officier had bevel gegeven een groepje partizanen neer te schieten. Hij had daarvoor de jongste knul uitgekozen. De jongen wilde niet. ‘Als je het niet doet kan je er zelf bij gaan staan’, had de officier gezegd. Het dorp zorgde nu al jaren voor zijn graf.

 

Rituelen als verzet

Rituelen zijn goed om crisiservaringen wat te stroomlijnen zodat je er niet door overvallen wordt als door een grote golf. Zo’n golf zorgt dat je je evenwicht verliest, in paniek raakt en zij kan je zelfs doen stikken voordat ze je weer uitspuugt. Rondom de dood hebben we rituelen nodig om te kunnen blijven herinneren. De mens is een opgejaagde consument geworden die zijn aandacht en oplettendheid is kwijtgeraakt aan snelheid en gejaagdheid. Daar rituelen per definitie vertragen, zijn ze een geschikt tegenwicht. Misschien wel noodzakelijk. In ieder geval een vorm van verzet tegen het verlies aan herinnering.

 

‘De dood confronteert ons met herinneringsproblemen par excellence: de dood betekent radicale afwezigheid en vormt dus de scherpste bedreiging voor de herinnering. Wanneer iemand sterft, onttrekt hij of zij zich radicaal aan onze oplettendheid. Wanneer een kind sterft doet dit oplettendheidsverlies op een bijzondere manier pijn want kinderen vragen tijdens hun bestaan om permanente oplettendheid. Ouders zijn geoefende opletters (of behoren dat in ieder geval te zijn) en de dood van een kind doorkruist deze oplettendheid, maakt oplettendheid op een brutale manier onmogelijkheid.’ [i]

 

Het is fijn als de overledene zelf heeft aangegeven hoe hij of zij herinnerd zou willen worden. Tenslotte is dat één kant van de medaille. Dat de nabestaanden ook iets met hun herinneringen kunnen doen is de andere kant. In het geval van mijn stiefmoeder bijvoorbeeld werd daar niet zoveel ruimte voor gelaten.

Meestal is het anders en zoekt de familie in de dagen voor de begrafenis wanhopig naar gedichtenbundels, bijbels en liedboeken. Zodra er een papiertje tussen gevonden wordt, is dat aanleiding om een bepaald lied of gedicht tot de lieveling van ma te bestempelen. De herinnering wordt niet altijd juist gevoed.

 

Herinneringen zijn verzetsdaden. Ook de kleine rituelen als een huisaltaartje, een gedenkdoos, het klaarmaken van vaders lievelingsgerecht op zijn verjaardag zijn een vorm van gedenken, herinneren. De kleinste zelfs: het dragen van een geërfde ring, het kijken naar een foto. Dat stilstaan is hoogst noodzakelijk in een tijd van doorhollen en alles vergeten. Sterker nog, ik denk dat we doorhollen om alles te vergeten.

 

Rituelen als projectie

Maar hebben we nu rondom de dood ook rituelen nodig als projectie? Van alle niet-kerkelijken schijnt een meerderheid in een leven na de dood te geloven. Er gaan ballonnen de lucht in op uitvaarten die waarachtig niets te maken lijken te hebben met een beleden ‘leven na de dood’. Ik noemde al eerder de realiteitsnegatie, een mooi woord in dit verband. De realiteit, lees: de materiële en historische werkelijkheid, wordt ontkend. Pappa is niet dood. ‘Pappa , ik hou zoveel van je’ - terwijl pappa in zijn kist ligt. Maar ook op het religieuze terrein wordt deze realiteitsnegatie gebruikt. Zo beweert  Jean-Pierre Wils, hoogleraar te Nijmegen, dat rituelen als projectie minstens zo belangrijk zijn als rituelen ter herinnering.[ii] Wij weten dat het niet waar is maar je weet toch maar nooit. Hij gebruikt als voorbeelden de beelden uit de gedichten waarin het kleine dode kind vleugeltjes toegewenst wordt. [iii]

Ik vermoed dat bij hem het gebied van de kunst de nieuwe religievervanger is. Zoals dat voor veel intellectuelen geldt. Ik ben zelf beducht om een theoloog van de schoonheid te worden genoemd want ik voel de aantrekkelijkheid. Voor mij is de esthetiek als vorm van schoonheid niet voor niets zo belangrijk. Mijn theologenhart waarschuwt: via de kunst komen wij niet tot God, hooguit tot een religieuze projectie. Ik begrijp wel dat de kunst betekenissen bewaart waarvan de waarheid nog kan blijken. Misschien heeft ze wel vleugeltjes. Misschien.

 

Ook het onvervulde verlost

Het is mij niet genoeg. Rituelen als herinnering, prima. Maar rituelen als projectie – die misschien waar is? Dat lijkt me een te risicovolle operatie. Je hebt er wellicht een goed gevoel bij, even. Goede gevoelens vervluchtigen al snel. Het blijkt valse troost. Troostrijker is mij de gedachte uit het jodendom dat wij in de dood allemaal drieëndertig  zijn. In die gedachte is ook het onvervulde verlost. Een angstig mens dat smeekt om een aardig woord, gaat zelf aardige dingen zeggen. De wraak wordt afgezworen.  Verlossing dus. Dat is denk ik het enige waar we op kunnen hopen of naar vooruitwijzen. Bijvoorbeeld door zo’n beeld als de vleugeltjes  aan te horen. Of een verhaal van een Duitse soldatenjongen die opstaat uit zijn graf.  

 

 

Dieuwke Parlevliet

Zierikzee, juni 2010

 

 

 

 



[i] Jean-Pierre Wils, ‘rituelen van de dood. Een verkenning.’, lezing tijdens de

Faculteitsdag Theologie en Religiewetenschappen  
Veranderende rituelen rondom de dood  
Woensdag 25 maart 2009, Aula Radboud Universiteit Nijmegen 
Soeterbeeck Programma i.s.m. de Faculteiten Theologie en Religiewetenschappen.

 

Hij verwijst naar: Bernhard Stiegler,  ‘De logica van de zorg. Over het verlies van de Verlichting door media en techniek'

 

[ii] idem

[iii] Gedichten:

 Op de doot van myn dochtertje// Jakoba tradt met tegenzin 
/Ter snode werelt in;/ 
En heeft zich aen het endt geschreit,/ 
In haere onnozelheit./ 
Zy was hier naeue verscheenen,/ 
Of ging, wel graeg,/ weêr heenen.//

De moeder kuste ’t lieve wicht/ 
Voor ’t levenloos gezigt,/ 
En riep het zieltje nogh te rug:/ 
Maer dat, te snel en vlug,/ 
Was nu al opgevaren/ 
By Godts verheugde schaeren./

Daer lacht en speelt het nu zoo schoon,/ 
Rontom den hoogsten troon;/ 
En spreit de wiekjes luchtigh uit,/ 
Door wee noch smart gestuit./ 
O bloem van dertien dagen,/ 
Uw heil verbiedt ons ’t klagen.

Hubert Korneliszoon Poot, 1689-1733

 

Kindje kleene kindje dood 
/ mag ik u iets vragen/ 
mijn ogen zijn van ’t schreien rood/ 
en mijn stemme rauw van ’t klagen//

duizel je nog als je rechte staat/ 
kan je nu lopen zonder vallen/ 
ja ‘k hè vleugels van zilverdraad/ 
van pluimkes en sneeuwkristallen//

ben je beschut tegen de nacht/ 
is uw kleedje wel warm geweven/ 
ja van ’t zuiverste zijdeke zacht/ 
en van maneschijn ben ik omgeven//

waar moe j’ gie rusten op uw verre reis/ 
waar vind je gie eten en drinken/ 
ik drinke den dauw van ’t groen paradijs/ 
‘k hè wolken om in weg te zinken//

Kindje kleene kindje dood/ 
wie moet er voor u zorgen/ 
den hemel is te wijd en de wereld te groot/ 
‘k houd u diep in mijn herte geborgen

Willem Vermandere

xxx

zeeuws blauw - taal en teken van dieuwke parlevliet