Dit zijn de woorden van Orhan Pamuk,
stadsschrijver van Istanbul
die de vorige week op mijn schouders zaten
en meelazen met het boek Joël:
“Veel inwoners van een arm, ondemocratisch, veelal islamitisch land weten dat ze veroordeeld zijn tot een zwaar, kort en meestal onbeduidend leven. Ze weten bovendien dat hun armoede tot op zekere hoogte ook nog eens het gevolg is van hun eigen dwaasheid en onvolkomenheden, of die van hun ouders of grootouders.
Ze leven daardoor vrijwel permanent in een grimmige, getroubleerde privesfeer, waarover je zelden iets hoort in reisverhalen en politieke analyses. ‘De Westerse wereld heeft nauwelijks besef van dit overweldigende gevoel van vernedering dat gevoeld wordt door de meerderheid van de wereldbevolking. Het is een gevoel dat mensen moeten proberen te overwinnen zonder hun gezonde verstand te verliezen, zonder verleid te worden door terroristen, extreme nationalisten of fundamentalisten.’”
Hoor mij aan, oudsten, leen mij allen het oor, inwoners van het land.
Wordt wakker mijn broeders en hoor naar de stem van de muezzin.
Ween, barst uit in gejammer.
Allahu alam....
Mijn land is ten prooi aan het Westen.De rode grond is in rouw.Een machtig volk, met tanden als van een leeuw,geweldige kaken als van een leeuwin,maakte dode takken van mijn wijnstok,brandhout van mijn vijgenboom.Naakt en kaalgranaatappel, dadelpalm en appelboom,verbleekt, opgedroogdde vreugde onder de mensen.
Weeklaag – als een jonge bruid
die zich hult in het zwart,
om de man van haar jeugd.
Hoor hoe het vee loeit:
Runderen dolen rond
nergens kunnen ze grazen,
zelfs schapen en geiten worden gestraft.
Allahu alaam......
Mullah, hul je in rouw,
schreeuw het uit vanaf de minaretten van de moskee,
breng de nacht door met klagen,
dienaren van Allah,
zakaat is de armen ontzegd.
Stoot de ramshoorn op de Ararat.
Blaas alarm op de heilige berg.
Laat alle inwoners van het land beven van ontzetting:
de dag van Allah komt! Hij is nabij!
Het is een dag van duisternis,
een dag van dreigende, donkere wolken.
Imams kondigen een vastentijd af
roepen op tot plechtige samenkomsten
en bidden tot God:
spaar uw volk, uw eigendom,
laat het niet vernederd worden door spot en hoon van andere volken.
Dan zal Allah, de barmhartige, de genadevolle,
Het opnemen voor zijn land en zich ontfermen over zijn volk.
Assalamoe alaikoem.
Ik zal jullie bevrijden van de vijand uit het westen.
Ik zal hem verdrijven naar een dor en woest land.
Ik zal hem uiteenslaan naar het noorden en het zuiden
En hem de zee in drijven.
Dan zal zijn stank, de geur van bederf, opstijgen.
Vrees niet rode grond, juich en verheug je,
want God zal grote dingen doen.
Wees niet bang, dieren van het veld,
een kleed van groen zal de woestijn bedekken.
De bomen zullen weer volop vrucht dragen:
vijgenboom en wijnstok geven hun rijkdom,
aan jullie komt de wijn van de Olijfberg ten goede,
aan jullie het donkerrode sap van granaatappelen,
het zoete vlees van dadels,
de hap in een spetterende appel.
Dan komt de dag van Allah,
Er zullen tekenen zijn aan de hemel en op aarde:
Bloed en vuur en zuilen van rook,
de zon verandert in duisternis,
de maan in bloed.
Dan zal iedere gelovige ontkomen.
In de heilige stad is een toevlucht te vinden
voor wie de hadj volbrengt.
Roep de heidenen op:
Bereid je voor op de strijd.
Smeed je ploegijzers om tot zwaarden!
en je snoeimessen tot speren.
Laat de heidenen aantreden, laat ze optrekken naar de vallei
daar zal ik mijn oordeel over hen vellen.
Sla de sikkel erin,
het is tijd om te oogsten
kom de wijnpers treden,
de persbak is vol,
de kuipen lopen over
zo talrijk zijn hun misdaden.
Allah brult en gromt
Dit zal een heilige stad zijn
Vreemden zullen er niet meer binnengaan.
In haar moskee ontspringt een bron
die zelfs het droogste woestijndal bevloeit,
maar het Westen wordt een woestenij,
een kale woestijn.
Om hun misdaden tegen de moslims
Om het onschuldige bloed dat ze daar hebben vergoten.
Zou ik die bloedschuld niet wreken?
O zeker zal ik die wreken!
Allahu akbar.....
De straten van Istanbul waar vijf maal per dag de oproep tot gebed klinkt uit concurrerende luidsprekers, de taxichauffeur die niet kan lezen en daarom eerst even naar de moskee rijdt om het de imam te vragen, de woorden van Pamuk, de copie van het boekje Joël in mijn tas naast het opgefrommelde sjaaltje voor het binnengaan van de moskee. Ik weet dat ik daar in noord-Turkije nog maar op de grens was van wie Pamuk bedoelt. Een toegangspoort waardoor je wat glimpen opvangt. Ik vroeg me af aan wie zo’n tekst van Joel ten goede komt. Verleidt hij niet juist tot terrorisme, extreem nationalisme of fundamentalisme? Door wie wordt zo’n tekst gelezen? Hoe kritisch gaat zo’n lezer om met het heilige boek waarin het een plaats heeft gevonden? Hoe hou je hier je verstand gezond bij? Het overweldigende gevoel van vernedering van zovelen is, lijkt mij, niet gebaat bij Soera’s als deze.
Dieuwke Parlevliet
Oktober 2007-10-30
Citaat Orhan Pamuk uit:
Mak, Geert, “De brug”, Amsterdam/Antwerpen, 2007, p.27