De kinderen zijn weer naar school. De grote moedervakantie is aangebroken; lekker werken. Nog een dagje rust. Ik ga naar Colijnsplaat. Dat doe ik op de fiets. Het is prachtig weer met een fris Zeeuws briesje. De soort koelte waar je in Italie naar verlangen kan. De Zeelandbrug, ach de Zeelandbrug, ik blijf haar bezingen. Van een afstand is ze zo mooi. Van bovenaf ook. Het uitzicht is schitterend. Ik denk aan vroeger, op de pont naar Zeeuws Vlaanderen. Daar stond je aan de reling ook hoog boven het water. Een vriendin van me zou hier zo vanaf durven springen. Ze heeft in de vakantie een duikplank van acht meter genomen. Ik huiver bij de gedachte alleen al. In uiterste nood dan, natuurlijk. Hoop dat me dat bespaard blijft. De wegdelen van de brug zijn in elkaar gepuzzeld met ijzeren tanden. De verbindingen waaruit bruggen zijn gemaakt, zorgen vaak voor de mooiste muzikale ritmes in de auto. De kedeng-kedeng-kedeng-kering bijvoorbeeld. Maar op de fiets heb je dat niet. De herrie van de langsrazende auto’s en vooral vrachtwagens stoort me. Na het wachtende huisje en de gesloten brug die gelukkig net niet omhoog gaat ( hij wordt tegenwoordig van een afstand bedient dus of ze wel zien dat ik er over heen fiets? Je weet het niet.) zie ik de prachtige vormen van de grote MZI in de verte drijven. Strakke vormen, zwarte buizen in een ritmisch patroon kunnen toch heel goed in de natuur zonder dat het stoort. Het verse voedsel uit de zee. De mosselvissers zijn vandaag ook druk. Ik zie er zomaar drie rondom de brug aan het vissen. De bescheiden Bru 2 en de pompeuze Bru 79? (ik kan het niet zo goed zien), de Ye 57 heeft zijn korren net omhoog. Het deel van mijn jeugd dat ik in Yerseke doorbracht is gelijk present. De hendels in de stuurhut waarmee de schipper de korren bediende. De twee man die in zware zeilbroeken (zonder zwemvesten) de korren aanhaakten. Het geluid waarmee de mosselen in het ruim uitgestrooid werden. En opnieuw, en weer, het duurde maar. En ik hield helemaal niet van mosselen. Ik fiets nu lekker door. Een meeuw zweeft met me mee. Het is een grappig fenomeen; de meeuwen volgen vaak een eindje de reling van de Zeelandbrug. Zou dat het geel zijn waar ze op koersen? Zijn ze moe en zorgen ze dan dat ze niet al te ver af zijn van een zitplaats? Gelukkig komen ze niet te dicht bij. Ondanks de verhalen over de goede Karel met de houten poot, de zeemeeuw die bevriend is met Pluk van de Petteflet (de Silo!), heb ik het niet zo op hun kraaloogjes en kromme snavels. De brug is toch langer dan je zou denken. Tegen het einde passer ik een bosje kunstbloemen en een knuffel. Het is een triest aandenken. Zo kleurloos geworden. Zo zonder naam. Wie beslist wanneer het weggaat? Ai, een beetje heilig… Waarom geen nieuwe beer?
Aan de overkant gaat het lekker lang naar beneden. Ik wijd nog eens een gedachte aan de aloude PZC die ons nog immer verstookt van informatie over Noord-Beveland (en de rest van Zeeland). Wat kan ik me daar toch aan ergeren. De kleine dingen van Colijn? Waarom weet ik er niets van? Ik ga kijken.